Risicogroepen

Onder overige contextuele factoren vallen ook de mensen die vallen in een risicogroep. Let hierbij op dat een patiënt, dan wel vaak onder medicatie, helemaal geen last hoeft te hebben van zijn ziekte/aandoening. Na deze tekst weet je welke patiënten mogelijk een hogere urgentie horen te krijgen dan aangegeven in de triagecriteria. Zorg voor een goed toestandsbeeld. Duur van de klachten? Is er iets acuut verslechterd? Wat zijn de bijkomende klachten? Enzovoort.

Jonger dan drie maanden:
Let vooral op bij ziek zijn met koorts. Tot 4 weken oud is altijd direct overleg met de huisarts en veelal een verwijzing naar de kinderarts. Tussen de 4 en 8 weken zal de huisarts het kind eerst onderzoeken en overleggen met de kinderarts. Ouder dan 8 weken en een duidelijke oorzaak (bijvoorbeeld vaccinatie) van ziek zijn met koorts, bepaalt de huisarts het beleid. Ook zonder koorts is het belangrijk om altijd een volledige ABCDE en toestandsbeeld uit te vragen. Vergeet hierbij niet zwangerschap en bevalling goed uit te vragen.

Let bij kinderen onder de 3 maanden vooral op:
– Gedrag van de zuigeling
– Kleur van de huid
– Intake borstvoeding of flesvoeding
– Urineproductie
– Lichaamstemperatuur, tussen de 36,5 en 37,5 is normaal



Verminderde weerstand:
Zoals transplantatiepatiënten, en/of gebruik immunosuppressiva of chemotherapie.
Door het nakijken van de voorgeschiedenis of daar gericht vragen over te stellen kan een zorgprofessional inschatten of de weerstand verminderd is.


Bepaalde chronische ziekten:
 
Bepaalde ziekten zijn urgentie verhogend zoals de ziekte van Addison. Belangrijk is om tijdens de triage op te letten welke ziekten en aandoeningen ervoor zorgen dat de urgentie verhoogd  moet worden.


Gebruik van steroïden:
Er zijn verschillende soorten steroïden die vallen onder steroïdhormonen. Denk aan corticosteroïden en de hormonen die aangemaakt worden in de geslachtsorganen. Voorbeelden van medicatie zijn: Prednison, Dexamethason, Hydrocortison, Kenacort, Pulmicort, Fluticason, enzovoort. Deze hebben invloed op het immuunsysteem.

Denk hierbij ook aan sporters die zichzelf injecteren.

Diabetes: 
Er zijn verschillende soorten diabetes, met verschillende oorzaken en vaak ook een eigen behandeling. De bekendste zijn Type 1 en Type 2. Tevens bestaat ook Type 3 en Type 3C, Prediabetes, zwangerschapsdiabetes, neonatale diabetes, CFRD (Cystic Fibrosis Related Diabetes), MODY, LADA, MIDD, Diabetes insipidus.


Hartfalen en gebruik ACE-remmers en/of diuretica:
 
Hartfalen, ook wel decompensatio cordis genoemd, is het falen van het hart. Er is een verslechtering in pompfunctie.

Verschillende oorzaken voor hartfalen:

De hartspier(myocard) kan schade krijgen door bijvoorbeeld een hartinfarct. Een patiënt kan ook een infarct hebben gehad zonder afwijkingen op het ecg(NSTEMI).  Ook kan een patiënt een stil infarct hebben gehad dan is op het hartfilmpje te zien dat er een hartinfarct heeft plaatsgevonden, maar de patiënt heeft er zelf helemaal niets van gemerkt. Bij vrouwen komt dit vaker voor dan bij mannen.

Denk bij hartfalen ook aan kleplekkage bij het hart. Door tijdig te openen en te sluiten zorgen de hartkleppen ervoor dat het bloed in de juiste richting stroomt. Als één of meerdere van deze hartkleppen faalt (kleplijden), kan het bloed niet meer goed worden rond gepompt. De falende klep kan vernauwd zijn (laat minder bloed door) of lekken (bloed stroomt terug).

Ook een te lange tijd een hoge bloeddruk kan, als hier niets aan gedaan is, hartfalen geven. Als de druk op het hart en de bloedvaten langere tijd te hoog is geweest kan dat orgaanschade geven.

Alcohol en drugs spelen bij hartfalen ook een rol, vaak gebruiken deze (vaak jonge) patiënten (nog) geen medicatie. Probeer tijdens pijn op de borst of andere thoracale klachten hier aandacht voor te hebben. Cocaïne kan ernstige gevolgen hebben voor het hart!

Patiënten die chemotherapie hebben gehad of nog vol in het traject zitten kunnen hartfalen krijgen. De behandelend specialist zal dit in de gaten houden.

Ook patiënten met schildklierproblemen hebben een verhoogde kans op hartfalen. Te weinig schildklierhormoon vertraagt de hartslag en kan op termijn leiden tot hartfalen. Hypothyreoïdie kan daarnaast leiden tot een hoge bloeddruk en een verhoogde cholesterolwaarde. Een verbetering van de schildklierfunctie is essentieel voor een optimale behandeling van patiënten die ook aan hartfalen lijden. In geval van overproductie (hyperthyreoïdie) zal de arts vaak medicijnen voorschrijven die de productie van schildklierhormonen kunnen afremmen. Vooral bètablokkers zijn geschikt om de hartslag onder controle te houden wanneer te veel schildklierhormoon wordt geproduceerd. 

ACE-remmers verminderen het eiwitverlies via de urine. Hoe het precies werkt is nog niet duidelijk. Voorbeelden zijn benazepril, captopril, lisinopril en ramipril.

Een diureticum is een middel dat de afgifte van water door de nieren bevordert. Het gevolg hiervan is een verhoogde productie van urine. Daarom worden dergelijke middelen in de volksmond vaak betiteld als plastablet of plaspil.

Adviseer nooit NSAID’s zonder tussenkomst van de arts! Bij bloedverdunning, wat veelal gegeven wordt in geval van hartfalen geeft een NSAID een verhoogd risico op maag/darmbloedingen.


Nierfalen en gebruik diuretica:
Mensen met nierfalen zijn kwetsbaar. De meest voorkomende oorzaken van nierfalen zijn ontstekingen, aangeboren afwijkingen aan de nieren, diabetes, hypertensie, medicatiegebruik, enzovoort. Mensen met nierfalen mogen geen NSAID’s gebruiken. Belangrijk is om bij patiënten met nierfalen te kijken welke medicijnen zij gebruiken en of er gedialyseerd wordt.

Recente operatie of opname.
Denk hierbij na wie de juiste zorg kan bieden en op welke plek.
Is dat thuis? Dan is het voor de huisarts of huisartsenpost.
Is dat in het ziekenhuis? Dan is het afhankelijk van de specialist of dat op de SEH is of tijdens kantooruren op de poli plaatsvindt.


Communicatieproblemen of onduidelijke hulpvraag:

Denk hierbij aan de patiënten die op vakantie zijn in Nederland. Soms is triage in het Engels een optie. Ook de mensen die geëmigreerd of gevlucht zijn naar Nederland kunnen moeite hebben met de Nederlandse taal. Denk bij communicatieproblemen niet alleen aan mensen die de taal niet goed spreken door een emigratieachtergrond. Denk hierbij ook aan de laaggeletterden en mensen met een verstandelijke beperking.

Patiënten die zelf niet goed de klacht kunnen omschrijven of geen duidelijke hulpvraag kunnen stellen zijn lastig te triëren. Vraag vooral het toestandsbeeld goed uit. Bekijk zorgvuldig de voorgeschiedenis en medicatiegebruik. Laat meewegen of iemand veel belt of juist voor het eerst en probeer erachter te komen of er een sociaal vangnet is of iemand in de buurt die het gesprek over kan nemen om tot de juiste urgentie te komen.

Waarom lukt een goede triage niet? Taalbarrière? Patiënt die niet meewerkt? Vragen die onbeantwoord blijven?
Vergeet in deze niet na te denken over kindermishandeling, mishandeling en ouderenmishandeling.



Geen mantelzorg:

Voor sommige mensen, zeker ouderen of mensen met een beperking, is er geen familie of iemand die zich over de patiënt ontfermt. In sommige gevallen bellen deze patiënten vaker de huisarts of huisartsenpost. Let wel: ga er niet vanuit dat het ‘weer niks is…’. Elke patiënt belt met een reden, zorg altijd voor een goede verslaglegging en kijk hoe je de patiënt zo goed mogelijk kan helpen. Denk hierbij ook aan thuiszorg of frequent bezoek huisarts.


Ernstige onrust:

Soms zijn mensen extreem ongerust of is er extreme onrust in een thuissituatie of op locatie. Probeer daar altijd aandacht voor te hebben.
‘Wat is de reden dat…?’ Vul niet in, vraag na.
Een voorbeeld kan zijn: Een kind met koorts zonder problemen in de ABCDE en een U5 urgentie als uitkomst en deze ouders hebben eerder een kind verloren door ziek zijn met koorts. Deze ongerustheid kan je nooit wegnemen. Een beoordeling is dan over het algemeen de enige optie.

In de terminale fase is er vaak ook onrust bij de familie als zaken niet goed uitgelegd zijn. Soms is het niet goed mogelijk iemand volledig comfortabel te krijgen met medicatie. Een taak van de huisarts is dan goede uitleg. Probeer altijd te achterhalen wat de reden is van de onrust en reden van bellen. 

 

Tot voorkort waren hoge leeftijd en zwangerschap ook risicogroepen.

Ongeacht of een patiënt wel of niet in een risicogroep valt is het altijd noodzakelijk om zelf na te blijven denken. Pas na volledige triage moet je nadenken of de urgentie passend is bij de situatie.


Hoge leeftijd:

Bij sommige ingangsklachten is hoge leeftijd een urgentie verhogende factor. Houdt hier tijdens je triage te allen tijde rekening mee. Dit is per ingangsklacht verschillend. Afhankelijk van de situatie verhoog je de urgentie. Een oudere breekt bijvoorbeeld sneller iets bij het ten val komen. Ook hebben oudere patiënten vaak medicijnen die van invloed kunnen zijn op de urgentie.


Zwangerschap:
 

De urgentie van een zwangere vrouw is afhankelijk van de duur van de zwangerschap. Vraag het toestandsbeeld goed en volledig uit. Is het van belang om te weten of een vrouw zwanger is of kan zijn? Heeft de klacht/aandoening effect op de zwangere vrouw of het ongeboren kind?

Winkelwagen