Het gespreksmodel en De Kernset

 

We gaan nu over naar fase 2 van het gespreksmodel

in deze fase behandelen we:

  • Voorgeschiedenis medicatiegebruik
  • Pijnstilling
  • Ingangsklachten (kort dit is ook een hele e-learning)
  • De hulpvraag
  • Samenvatting klacht en hulpvraag

 

Wanneer het dossier openstaat, zie je voorgeschiedenis en medicijngebruik. Wanneer er ziekten of aandoeningen staan die je niet kent, zoek deze altijd op. Dit geldt ook voor medicijngebruik. Wees je ervan bewust dat een dagpraktijk aan en uit kan zetten wat er inzichtelijk is in het LSP. Wanneer je niet actief vraagt naar de actuele situatie, kan het zijn dat je belangrijke medicatie, ziekten en aandoeningen mist.

Context is belangrijk. Tijdens triage is het noodzakelijk om te weten of een ziekte of aandoening de urgentie verandert.

Vergeet niet tijdens je triage dat pijnstillers ook medicijnen zijn. Wanneer je iemand trieert met pijn, vraag dan altijd of er pijnstilling is gebruikt.

Welke pijnstiller is er gebruikt?
Wat is de sterkte?
Wat is de innametijd?
Hoeveel pijnstilling is er de afgelopen 24 uur ingenomen?

Kijk ook in het dossier of de patiënt standaard pijnstilling gebruikt.

 

 

 

 

 

 

 

 

Punten van de kernset InEen

Punt 9

De triagist stelt de relevante vragen over voorgeschiedenis en medicijngebruik.

Medisch

Toelichting
De (medische) voorgeschiedenis en het medicijngebruik spelen een rol bij het bepalen van de urgentie en de vervolgactie. Hoe preciezer de informatie, hoe beter.

Vragen betreffende de voorgeschiedenis richten zich ook op risicofactoren bij de patiënt.

De NTS onderscheidt als risicofactoren: hoge leeftijd, jonger dan drie maanden, zwangerschap, chronisch ziek zijn, verminderde weerstand (bijvoorbeeld door chemotherapie of aids), recente operatie of opname, en een inconsistent of niet kloppend verhaal.

Beschrijving optimaal handelen

De triagist vraagt naar:

  • medicijngebruik;
  • (medische) voorgeschiedenis;
  • actuele problemen/episodes.

De triagist verkrijgt de juiste en volledige informatie over deze urgentieverhogende aspecten.

De triagist kan deze aspecten uitvragen. De melder/patiënt kan de informatie ook uit zichzelf geven over voorgeschiedenis of medicijngebruik.

De triagist noteert in de verslaglegging de informatie over deze urgentieverhogende aspecten.

De triagist vraagt naar de naam van het geneesmiddel of, indien niet beschikbaar, naar de soort medicatie. Denk aan bloedverdunners waarbij diverse middelen gebruikt kunnen worden, of pijnstilling waarbij verschillende soorten medicatie ingenomen kunnen worden.

De triagist stelt vast of de patiënt tot een risicogroep behoort. De NTS onderscheidt als risicofactoren: hoge leeftijd, jonger dan drie maanden, zwangerschap, chronisch ziek, verminderde weerstand (bijvoorbeeld door chemotherapie of aids), recente operatie of opname, en een inconsistent of niet kloppend verhaal.

Indien beschikbaar en relevant voor de triagist, betrekt de triagist bekende actuele medicatie, problemen en episodes uit het patiëntendossier en checkt deze bij de patiënt.

In het geval van een ABCD(E)-instabiele situatie is minimaal handelen de optimale uitvoering en van levensbelang.

Als het uitvragen te veel tijd kost (bijvoorbeeld bij veel medicatie of wanneer de patiënt moeizaam leest), vraagt de triagist om de medicatielijst of de op dat moment gebruikte medicatie beschikbaar te hebben voor de huisarts, klaar te leggen of mee te nemen. Als de patiënt geen gegevens wil verstrekken, wordt dit genoteerd.

Goedkeurcriteria (Score 4)

Er is gehandeld zoals beschreven bij ‘optimaal handelen’.
Er is sprake van een patiëntveilige situatie.

Afkeurcriteria (Score 1)

De triagist stelt niet of niet alle relevante vragen rondom voorgeschiedenis en medicijngebruik die in het kader van de urgentiebepaling van belang zijn. Bijvoorbeeld het vergeten te vragen naar het gebruik van antistollingsmiddelen bij een patiënt met een bloedneus, of het nalaten te vragen naar actueel gebruikte medicatie bij een patiënt die bezig is met een behandeling van klachten.

Er is sprake van een risicovolle en/of onveilige situatie voor de patiënt.

Score niet van toepassing

Deze mogelijkheid is niet van toepassing.

Instructie auditor

Betrek bij het scoren van dit item ook het verslag.

 

 

 

Pijn, iedereen heeft het wel eens.

Maar waar komt het door

  • Wat is de oorzaak?
  • Wat als de pijn toeneemt?
  • Wat zijn de gevolgen?
  • Hoe kun je de pijn verhelpen of onderdrukken?
  • Waarom reageert niet iedereen hetzelfde op pijn?

Pijn is subjectief; pijn meten is lastig. Het gedrag van de patiënt kan wel beoordeeld worden. Dit is altijd naar het oordeel van de hulpverlener. Zie het volgende filmpje met uitleg.

 

Pijnbeoordeling

Voor een goede pijnbeoordeling zijn verschillende vragen noodzakelijk:

  • Sinds wanneer is de pijn aanwezig?
  • Is de pijn acuut ontstaan of is deze langzaam erger geworden?
  • Hoe gedraagt iemand zich?
  • Kan iemand zijn dagelijkse bezigheden nog uitvoeren of zijn er belemmeringen?

Bij chronische pijn betrekt de arts vaak meerdere factoren die de pijn beïnvloeden. De arts kan hierbij gebruikmaken van SCEGS. Dit zijn vijf dimensies die mogelijk een rol spelen bij de pijn:

Somatische dimensie
Bij deze dimensie bekijkt de arts wanneer de pijn is begonnen en waar de pijn zich bevindt. Hij of zij kan vragen stellen over het verloop van de pijn en eventuele uitstraling naar andere lichaamsdelen.

Cognitieve dimensie
Bij de cognitieve dimensie probeert de arts te achterhalen of de patiënt een oorzaak of verklaring heeft voor de pijn. Daarnaast is het belangrijk om te bekijken welke verwachtingen iemand heeft over het beloop van de pijn en een eventuele behandeling.

Emotionele dimensie
De emotionele dimensie betreft gevoelens, zoals ongerustheid en angst. Zijn deze factoren van invloed op de pijn, of beïnvloedt de pijn juist het psychisch welzijn?

Gedragsdimensie
Hierbij gaat het om het gedrag van de patiënt. Hoe ga je om met pijn? Vermijd je bepaalde bewegingen of activiteiten om de pijn te ontwijken of een bepaald lichaamsdeel te ontlasten?

Sociale dimensie
Bij de sociale dimensie kijkt de arts vanuit een breder perspectief naar de gevolgen van de pijn voor het sociale leven. Hierbij is het ook van belang om te achterhalen in hoeverre de (sociale) omgeving van invloed is op de pijnbeleving.

Met behulp van deze dimensies kan de arts bepalen in hoeverre iemand beperkt wordt door pijn. Aanvullend lichamelijk onderzoek kan uitwijzen of verdere behandeling nodig is. Het volgende filmpje gaat over de soorten pijn.

 

Ingangsklachten

Bij het kiezen van de ingangsklacht is het noodzakelijk dat je op de hoogte bent van welke ingangsklachten er zijn en wanneer je deze kiest.
Klachten van het hoofd, de nek, de rug, borstkas of buik gaan in de meeste gevallen vóór pijn of klachten aan armen of benen. Denk bij trauma na wat het belangrijkste is; het kan zijn dat een arm of been pijnlijker is tijdens triage dan het hoofd, de borstkas, de nek, de rug of de buik.

Wanneer je de volledige e-learning ‘Het gespreksmodel’ hebt gemaakt, volgt de e-learning over de ingangsklachten.

Punten van de kernset InEen

Punt 7

De triagist kiest de juiste ingangsklacht
Medisch

Toelichting

Er kan sprake zijn van meerdere ingangsklachten. Voor het bepalen van de vervolgactie wordt uitgegaan van de ingangsklacht die zich het snelst kan ontwikkelen tot een klacht met een hoge (of de hoogste) urgentie.

Zo wordt de urgentie het veiligst vastgesteld en worden nieuwe spoedsituaties op een later moment mogelijk voorkomen.

Beschrijving optimaal handelen

De triagist kiest de ingangsklacht op basis van een complete en bewuste oriëntatie op de vitale functies, het toestandsbeeld en/of het medisch probleem van de patiënt;
De triagist kiest, in geval van ABCD(E)-stabiliteit, die ingangsklacht die de patiënt het meest bedreigt;
De triagist kiest bij meerdere ingangsklachten de klacht die kan leiden tot de hoogste urgentie (bijvoorbeeld bij ‘drukkende pijn op de borst’ en ‘braken’ kiezen voor ‘Pijn thorax’).

Goedkeurcriteria (Score 4)

Er is voor de situatie gehandeld zoals beschreven bij ‘optimaal handelen’;
Er is sprake van een patiëntveilige situatie.

Afkeurcriteria (Score 1)

De triagist kiest geen ingangsklacht wanneer er wel een relevante ingangsklacht is;
De triagist kiest een foutieve ingangsklacht voor het toestandsbeeld;
Er is sprake van een risicovolle en onveilige situatie voor de patiënt.

Score niet van toepassing

Deze mogelijkheid is niet van toepassing.

Instructie auditor

Betrek bij het scoren van dit item ook het verslag, waarin beschreven staat op welke ingangsklacht de triage primair is gebaseerd.

Punt 8

De triagist stelt de essentiële vragen bij de juiste ingangsklacht
Medisch

Toelichting

De NTS geeft bij de gekozen ingangsklacht(en) de opgenomen triagecriteria weer (essentiële vragen), waarmee symptomen die voor de urgentiebepaling belangrijk zijn kunnen worden beoordeeld. De triagist gaat door met het verhelderen van de criteria (mate van aanwezigheid van symptomen) totdat er een urgentie is bepaald.

Het stellen van vragen voor de bepaling van een lagere urgentie vervalt daarmee.

De triagist bepaalt op basis van haar eigen (medische) kennis de juiste invulling van de NTS-criteria.

Indien een triagist van oordeel is dat een vraag niet essentieel is om te stellen, wordt van dit criterium gemotiveerd afgeweken.

Het stellen van deze vragen zorgt ervoor dat de triagist de juiste inschatting van de urgentie kan maken.

De triagist vormt zich een oordeel over die triagecriteria die tot een hogere urgentie kunnen leiden.

De bepaling van de juiste urgentie bij de ingangsklacht zorgt voor patiëntveilige zorg.

Beschrijving optimaal handelen

De triagist stelt bij de gekozen ingangsklacht voor de urgentiebepaling de essentiële vragen die in de NTS staan vermeld;
De triagist bepaalt naar aanleiding van de antwoorden van de melder/patiënt de juiste invulling van de antwoorden op de NTS-criteria. Goed doorvragen kan hierbij noodzakelijk zijn;
De triagecriteria worden omwille van de efficiëntie uitgevraagd van hoge naar lage urgentie;
Nadat de NTS een urgentie heeft aangeboden, bepaalt de triagist of er urgentiebeïnvloedende factoren zijn die aandacht behoeven. Zo ja, dan stelt de triagist aanvullende vragen.

Goedkeurcriteria (Score 4)

Er is voor de situatie gehandeld zoals beschreven bij ‘optimaal handelen’;
Er is sprake van een patiëntveilige situatie.

Afkeurcriteria (Score 1)

De essentiële vragen zijn niet gesteld die horen bij de gekozen ingangsklacht om de urgentie te bepalen;
De triagist stelt onjuiste vragen ter beoordeling van de triagecriteria;
De essentiële vragen bij de gekozen ingangsklacht zijn niet uitgevraagd van hoge naar lage urgentie;
Er is sprake van een risicovolle en onveilige situatie voor de patiënt.

Score niet van toepassing

Deze mogelijkheid is niet van toepassing.

Punt 10

De triagist komt tot een juiste urgentiebepaling
Medisch

Toelichting

De urgentie is het resultaat van een juist gebruik van de medische triagecriteria, de beleving en de hulpvraag van de patiënt in combinatie met de deskundigheid van de triagist. De urgentie geeft de snelheid aan waarmee de huisarts iets moet beoordelen. Bij het vaststellen van de urgentie is de NTS een belangrijk hulpmiddel. Ook kan de urgentie bepaald worden in overleg met de arts met regietaken.

Beschrijving optimaal handelen

De triagist gaat uit van de triagecriteria voor de urgentiecategorieën (van hoog naar laag);
De triagist interpreteert de informatie en antwoorden van de melder/patiënt correct;
De triagist signaleert alarmsignalen: tweede contact, hevige pijn, angst of onrust of snelle verslechtering van de conditie. Ook contextuele factoren (hoge leeftijd, jonger dan drie maanden, zwangerschap, chronisch ziek, verminderde weerstand (bijvoorbeeld chemotherapie of aids), recente operatie of opname, een inconsistent of niet kloppend verhaal), het behoren tot een risicogroep en het niet-pluisgevoel van de triagist spelen een rol;
De triagist neemt de alarmsignalen mee in de urgentiebepaling;
De triagist beoordeelt de klachten van de patiënt op basis van het acute toestandsbeeld;
Als dat nodig is, overrulet de triagist de urgentie die de NTS geeft met een hogere (niet-pluisgevoel) dan wel lagere urgentie;
De triagist noteert een onderbouwing in het verslag bij het overrulen van de urgentie die de NTS geeft;
De triagist zet eigen kennis in om tot een goede urgentiebepaling te komen.

Goedkeurcriteria (Score 4)

Er is gehandeld zoals beschreven bij ‘optimaal handelen’;
Er is sprake van een patiëntveilige situatie.

Afkeurcriteria (Score 1)

De triagist neemt het antwoord van de melder/patiënt over zonder eigen kennis in te zetten. Met name bij de mate van ziek zijn, pijnscore en mate van benauwdheid kan dit zowel tot een te hoge als een te lage urgentie leiden;
De triagist vraagt niet door als het antwoord van de melder/patiënt onvoldoende informatie bevat om tot een goede urgentiebepaling te kunnen komen;
De triagist betrekt alarmsignalen niet in de urgentiebepaling;
Er is sprake van een risicovolle en/of onveilige situatie voor de patiënt.

Score niet van toepassing

Deze mogelijkheid is niet van toepassing.

Punt 18

De triagist maakt adequaat gebruik van open en gesloten vragen
Communicatie

Toelichting

De informatie die nodig is voor de urgentiebepaling wordt het best verkregen met een goede balans tussen open en gesloten vragen.

Gesloten vragen zijn sturend en geven soms snel duidelijkheid, maar vergroten de kans op sociaal wenselijke of manipulatieve antwoorden.

Open vragen leveren veel informatie en doorgaans meer objectieve informatie op, maar vragen tegelijkertijd de vaardigheid om de melder/patiënt te begrenzen om de relevantie van de verstrekte informatie te waarborgen en de regie in het gesprek te behouden.

Beschrijving optimaal handelen

De triagist weet zich met een goede balans tussen het stellen van open en gesloten vragen een zo helder mogelijk beeld van de klacht van de patiënt te vormen;
De triagist stelt in fase 1 open vragen ter ondersteuning van de open oriëntatie en beeldvorming (toestandsbeeld);
In fase 2 kunnen soms (semi)gesloten vragen nuttig zijn om de triage te verbijzonderen;
Is een hoge urgentie aan het begin van het gesprek direct hoorbaar, dan zijn open vragen niet aan de orde en zal juist op een directieve en gesloten wijze de bedreiging van vitale functies worden gecontroleerd;
Daarnaast moedigt de triagist de melder/patiënt aan door het stellen van open vragen. Er moet duidelijkheid verkregen worden over de aard van de klacht, hoe de klacht is ontstaan en wat het verdere beloop hiervan is. Wat is de reden dat de melder/patiënt contact zoekt met de huisartsenpost voor hulp? Vragen als “Wat kan ik voor u doen?” of “Wat is er aan de hand?” leveren onvoldoende informatie op. In de toon en aard van de vragen klinkt geen oordeel door over wat de triagist van het motief van de melder/patiënt vindt; de houding van de triagist blijft te allen tijde open en sensitief voor signalen van de melder/patiënt.

Goedkeurcriteria (Score 4)

Er is gehandeld zoals beschreven bij ‘optimaal handelen’;
De triagist gebruikt – in aansluiting op de fase van het gesprek – die vraagstelling die maximaal de kans geeft op de voor de toestand en urgentie relevante informatie;
Er is sprake van een patiëntveilige situatie.

Afkeurcriteria (Score 1)

Er is sprake van een risicovolle en onveilige situatie voor de patiënt.

Score niet van toepassing

Deze mogelijkheid is niet van toepassing.

Punt 25

Ingangsklacht waarop de triage berust en de antwoorden op daarbij horende triagecriteria

Toelichting

Het noteren van de ingangsklacht en de antwoorden bij de daarbij horende triagecriteria maakt dat de overdracht van de melder/patiënt patiëntveilig plaatsvindt.

Beschrijving optimaal handelen

De triagist registreert:

  1. De uitkomst van de ABCD(E)-check;
  2. De gekozen ingangsklacht(en) waarop de triage berust;
  3. De urgentiecode die is bepaald met behulp van de NTS.

Goedkeurcriteria (Score 4)

Er is gehandeld zoals beschreven bij ‘optimaal handelen’;
Er is sprake van een patiëntveilige situatie.

Afkeurcriteria (Score 1)

De informatie in de verslaglegging stemt niet overeen met de antwoorden van de patiënt;
Er is sprake van een risicovolle en onveilige situatie voor de patiënt.

Score niet van toepassing

Deze mogelijkheid is niet van toepassing.

 

De hulpvraag

Wanneer iemand contact zoekt met de huisartsenpost, is er altijd een achterliggende reden.

Waarom belt iemand?
Waarom belt iemand op dit tijdstip?
Wat verwacht de patiënt of melder?
Wie levert de juiste zorg?
Is het een vraag die thuishoort op de huisartsenpost?

Wanneer iemand om een consult vraagt, ook na het geven van een advies, zorg er dan voor dat je open en nieuwsgierig achterhaalt waarom de patiënt je advies niet opvolgt of accepteert.

Is er iets in het verleden gebeurd?
Hoe is de ervaring met de huisartsenpost?
Is er recent een ziekte uitgebroken?
Wat is de angst?

Het kan zijn dat je te maken hebt met een patiënt die denkt: ‘Morgen moet ik werken’, ‘Ik ga op vakantie’, of ‘Mijn huisarts heeft geen tijd’. Bedenk goed dat wij geen vervanging zijn van de eigen huisartsenpraktijk.

Punten van de kernset InEen

Punt 6

De triagist achterhaalt en benoemt de hulpvraag
Communicatie

Toelichting

Van groot belang is het achterhalen van de reden van het contact van de melder/patiënt met de huisartsenpost.
Inzicht is nodig in waarom op dit moment contact wordt gezocht met de huisartsenpost en wat de verwachting is die de melder/patiënt heeft over de vervolgactie die moet worden ingezet.

De hulpvraag kan een concrete vraag inhouden. Daarnaast kan de beleving van de patiënt een aanwijzing zijn voor het telefonische contact. Bijvoorbeeld angst, ongerustheid en onwetendheid kunnen redenen zijn voor contact met de huisartsenpost (“Ik wil graag zeker weten dat het geen nekkramp is, ik ben hier bang voor”).

Beschrijving optimaal handelen

De triagist achterhaalt de exacte reden van het telefonische contact en vraagt hier actief naar, of helpt de melder/patiënt deze te formuleren;
De triagist heeft de hulpvraag van de patiënt benoemd en/of laten blijken dat de hulpvraag gehoord is;
De triagist heeft de verwachting van de patiënt voldoende uitgevraagd en benoemd;
De triagist houdt voldoende rekening met de ABCD(E)-stabiliteit van de patiënt en handelt daarnaar;
In het geval van een ABCD(E)-instabiele situatie is minimaal handelen de optimale uitvoering en van levensbelang. In dit geval is het achterhalen van de hulpvraag van ondergeschikt belang.

Goedkeurcriteria (Score 4)

Er is voor de situatie gehandeld zoals beschreven bij ‘optimaal handelen’;
Er is sprake van een patiëntveilige situatie.

Afkeurcriteria (Score 1)

De triagist achterhaalt niet de reden van het telefonische contact;
De triagist geeft een eigen invulling aan de hulpvraag van de patiënt;
De hulpvraag wordt niet aan de patiënt benoemd;
Er is sprake van een risicovolle en/of onveilige situatie.

Score niet van toepassing

Deze mogelijkheid is niet van toepassing.

Samenvatten

Samenvatten bevordert de structuur en de communicatie tussen melder/patiënt en de triagist.
Wanneer je een samenvatting geeft, doe dit dan beknopt: klacht, tijdstip van ontstaan, hulpvraag. Wanneer je merkt dat het gesprek stroef loopt of dat de patiënt niet adequaat of consistent antwoord geeft, vat dan een aantal keren kort samen.

Voorbeeld:
“Ik vat kort samen wat ik heb begrepen: u heeft pijn links in uw flank sinds vanmorgen 09:00 uur. U geeft een pijnscore van 5 op dit moment, maar soms een piek naar 9. U heeft geen koorts, voelt zich niet ziek en u wilt graag een afspraak omdat u bang bent weer nierstenen te hebben.”

De punten uit de kernset InEen

Punt 19

De triagist geeft op een gepast moment een samenvatting, controleert en stelt zo nodig bij
Communicatie

Toelichting

Samenvatten bevordert de structuur en de communicatie tussen melder/patiënt en triagist.
Onder samenvatten wordt onder meer verstaan: korte herhalingen, tussentijdse terugkoppelingen en toetsende vragen zoals: “Dus u zei net dat het eerst afnam en het laatste uur weer toeneemt?” Onduidelijkheden komen sneller aan het licht.

Samenvatten en terugkoppelen helpen de melder/patiënt en triagist elkaar te begrijpen bij afwezigheid van visuele signalen die dat in face-to-face contact duidelijk maken.

Over het algemeen is samenvatten in telefonische communicatie daarom ook meer nodig dan in face-to-face contact.

Daarbij draagt een samenvatting of een korte terugkoppeling bij aan het gevoel van de melder/patiënt dat deze gehoord wordt. Afhankelijk van de geboden spoed en het verloop van het gesprek kunnen de samenvattingen korter of uitgebreider zijn.

Beschrijving optimaal handelen

De triagist geeft, afhankelijk van het verloop van het gesprek, aan het einde van fase 1 en 2 een beknopte samenvatting van wat de melder/patiënt heeft verteld. Dit is een belangrijk afstemmoment met de melder/patiënt;
De triagist toetst en koppelt regelmatig terug en doet dit bewust om de melder/patiënt te begrijpen, gehoord te laten voelen en omgekeerd begrepen te worden;
In het geval van een onduidelijke fase 1 en/of fase 2 zijn meerdere samenvattingsmomenten aan de orde;
De triagist controleert de samenvatting bij de melder/patiënt op vragende wijze: “U heeft geen thermometer in huis?” of op toetsende wijze: “Klopt dit?” of “Heb ik u zo goed begrepen?”;
Als dat nodig is, corrigeert de triagist de samenvatting en checkt of deze nu wel correct is.

Goedkeurcriteria (Score 4)

Er is gehandeld zoals beschreven bij ‘optimaal handelen’;
Er is sprake van een patiëntveilige situatie.

Afkeurcriteria (Score 1)

Er is sprake van een risicovolle en onveilige situatie voor de patiënt.

Score niet van toepassing

Dit item scoort ‘niet van toepassing’ als de toestand van de melder/patiënt duidelijk en dringend is. In dat geval is er geen sprake van een gepast moment.

Punt 21

De triagist raadpleegt terecht wel of niet de dienstdoende huisarts
Medisch

Toelichting

De triagist en huisarts hebben ieder hun verantwoordelijkheid in het triageproces.

De situaties die in ieder geval overleg behoeven, zijn omschreven in het protocol van de betreffende huisartsenpost.

Daarnaast kan in alle door de triagist noodzakelijk geachte gevallen worden overlegd.

De situaties waarin de triagist de dienstdoende huisarts raadpleegt, hebben allen tot doel de zorg patiëntveilig te houden.

Beschrijving optimaal handelen

De triagist raadpleegt de dienstdoende huisarts:

  • als dit is omschreven in het protocol van de betreffende huisartsenpost;
  • in geval van twijfel;
  • in geval van een conflict met de patiënt;
  • als de triagist de urgentie lager vaststelt dan de NTS aangeeft.

Goedkeurcriteria (Score 4)

Er is gehandeld zoals beschreven bij ‘optimaal handelen’;
Er is sprake van een patiëntveilige situatie.

Afkeurcriteria (Score 1)

Er is sprake van een risicovolle en onveilige situatie voor de patiënt;
Er is niet gehandeld volgens lokaal beleid.

Score niet van toepassing

Wanneer een triagist in het gesprek niet hoorbaar een arts raadpleegt en/of geen hoorbare aandacht aan dit criterium geeft, scoort het criterium ‘niet van toepassing’, mits dit terecht is volgens de auditor.

Punt 22

De triagist maakt de reden van overleg en haar vraagstelling duidelijk aan de huisarts

Toelichting

De opbouw van overleg vertoont grote overeenkomst met een triagegesprek, waarbij de triagist nu in de rol van patiënt zit.

In de intakefase van de consultatie van de huisarts is het van belang dat de triagist duidelijk maakt wat de aanleiding van het overleg is en haar specifieke consultatievraag benoemt.

De huisarts helpt de triagist zo nodig deze te verhelderen. Evenals bij een triagegesprek vergroot deze handelswijze de kans dat de triagist een zodanig antwoord krijgt, dat hij/zij zich voldoende geholpen voelt om adviezen en instructies uit te voeren en het contact met de melder/patiënt veilig af te ronden.

Voorbeelden van redenen voor overleg zijn: een medische reden, zoals een hoge urgentie (U0 t/m U2), twijfel over de urgentie of de vervolgactie, of communicatieproblemen met de melder/patiënt.

Beschrijving optimaal handelen

De triagist hanteert de structuur van overleg die is afgesproken op de huisartsenpost (indien aanwezig);
Als er geen structuur is afgesproken, benoemt de triagist bij voorkeur eerst de reden van overleg en haar consultatievraag;
Dit kan een medische reden zijn, zoals een hoge urgentie, twijfel over de urgentie of twijfel over de vervolgactie;
Daarnaast kunnen ook communicatieproblemen met de melder/patiënt aanleiding zijn voor overleg;
De triagist geeft daarna een beeld van de toestand en de hulpvraag van de patiënt;
Vervolgens geeft de triagist een samenvatting van antwoorden op de relevante triagecriteria en de bijpassende urgentie en vervolgactie.

Goedkeurcriteria (Score 4)

Er is gehandeld zoals beschreven bij ‘optimaal handelen’;
Er is sprake van een patiëntveilige situatie.

Afkeurcriteria (Score 1)

De triagist wisselt in het overleg met de huisarts onjuiste informatie uit;
De huisarts maakt duidelijk dat de vraag van de triagist voor overleg niet helder is;
Er is sprake van een risicovolle en/of onveilige situatie voor de patiënt.

Score niet van toepassing

Deze mogelijkheid is niet van toepassing.

Punt 23

De triagist benoemt de hulpvraag van de melder/patiënt

Toelichting

Het is van belang dat de triagist een zodanig compleet beeld van de patiënt schetst (toestandsbeeld, aanleiding, omstandigheden, hulpvraag, gekozen ingangsklacht, voorgeschiedenis, medicatie, gescoorde triagecriteria), dat de zorgverlener die betrokken is bij de vervolgactie patiëntveilige zorg kan verlenen.

Beschrijving optimaal handelen

De triagist schetst voor de huisarts een compleet beeld van de patiënt, dat wil zeggen: het toestandsbeeld (ABCDE), de aanleiding waarom de melder/patiënt (nu) contact opneemt, omstandigheden en specifieke hulpvraag van de melder/patiënt (indien relevant), de gekozen ingangsklacht, de voorgeschiedenis en het medicatiegebruik, en de (uitkomsten van de) gescoorde triagecriteria.

Goedkeurcriteria (Score 4)

Er is gehandeld zoals beschreven bij ‘optimaal handelen’;
Er is sprake van een patiëntveilige situatie.

Afkeurcriteria (Score 1)

De triagist betrekt geen beeld van de melder/patiënt in de consultatievraag;
De triagist schetst een onjuist beeld van de patiënt;
Er is sprake van een risicovolle en onveilige situatie voor de patiënt.

Score niet van toepassing

Dit item scoort ‘niet van toepassing’ als de hulpvraag van de beller geen rol speelt in de besluitvorming.

Het benoemen van de hulpvraag is dan niet relevant, bijvoorbeeld wanneer het overleg betrekking heeft op twijfel over de urgentie, omdat de triagist moeite heeft een bepaald triagecriterium in te schatten.

Winkelwagen